|
Parlementaire nieuwsflits van 17 november 2007 In de faciliteitengemeente Ronse ontvingen een aantal inwoners een Franstalige uitnodiging voor het hernieuwen of aanvragen van een identiteitskaart. Deze uitnodigingen werden aan de gemeente verstrekt door het federale ministerie van Binnenlandse Zaken, meer bepaald de Directie Instellingen en Bevolkings/Rijksregister. Dit is een overtreding van de omzendbrief Peeters, die stelt dat elke individuele communicatie vanuit de gemeente in het Nederlands moet verlopen en pas in tweede instantie, en op uitdrukkelijk verzoek, in het Frans. Er ontstond een briefwisseling tussen de stad Ronse en Binnenlandse Zaken, maar het ministerie zag geen enkele reden om de situatie te wijzigen. Daardoor moest de stad Ronse op eigen kosten Nederlandstalige uitnodigingen drukken en verspreiden. Blijkbaar stuurt de FOD Binnenlandse Zaken automatisch een Franstalige uitnodiging naar houders van een Franstalige identiteitskaart, zelfs al wonen deze in het Vlaamse Gewest. Vermoedelijk gebeuren dergelijke praktijken dus ook in andere faciliteitengemeenten. De facto omzeilt de FOD Binnenlandse Zaken het Vlaamse taalbeleid m.b.t. de faciliteitengemeenten. Een beleid dat door een arrest van de Raad van State van 23 december 2004 werd bevestigd. Jan Jambon pakte minister van Binnenlandse Zaken Patrick Dewael hierover aan in de commissie Binnenlandse Zaken. De minister was duidelijk, het gaat hier om een federale materie, die volledig in overeenstemming is met de gecoördineerde taalwetten, en de FOD hoeft dan ook geen rekening te houden met de (Vlaamse) omzendbrief Peeters. M.a.w., de federale overheid kan ongegeneerd het Randbeleid van de Vlaamse Gemeenschap aan zijn laars lappen. En als de gemeenten het federale beleid toch in overeenstemming willen brengen met het Vlaamse beleid, dan moeten ze zelf maar opdraaien voor de kosten... België op zijn best! Jan Jambon nam hier echter geen genoegen mee en kondigde aan de nodige wetgevende initiatieven te nemen om een einde te maken aan deze gang van zaken.Joachim Pohlmann, wetenschappelijk medewerker Kamer |