|
Parlementaire nieuwsflits van 26 oktober 2007 Misschien hebt u het zelf wel gemerkt. De socialistische ambtenarenvakbond ACOD plande vrijdag wilde stakingen bij de NMBS omdat de in de onderhandelingen besproken 'minimale dienstverlening' een inbreuk zou zijn op het stakingsrecht. "Het is niet slecht dat er een beetje chaos komt. Dan weten de mensen wat de gevaren zijn van een minimale dienstverlening.", aldus Jos Digneffe, voorzitter van het ACOD. Kamerlid Jan Jambon kwam tot de conclusie dat de staking vooral een heel klein beetje oorlog was om duidelijk te maken wat minimumdienstverlening vooral niet is. Minimumdienstverlening gaat over een preventieve aanpak van sociale onrust en wanneer het dan toch tot een sociaal conflict komt: accurate informatie aan de gedupeerde klant en het liefst geen uitslaande maar een gecontroleerde brand. Zo moet de Bond van Trein-, Tram- en Busgebruikers (BTTB) jaarlijks minstens drie tot vier keer protesteren tegen wilde stakingen. De gebruikersorganisatie vraagt ondermeer dat de NMBS haar webstek duidelijke informatie geeft over welke treinen uitrijden en welke niet. Net zoals in onze buurlanden. Het schizofrene van de situatie is dat dezelfde mensen die op de barricades staan voor basismobiliteit en universele dienstverlening tilt slaan als minimale garanties voor publieke voorzieningen ter sprake komen. De belastingbetaler én gebruiker mag dus wel opdraaien voor de financiering van niet-rendabele diensten met navenante personeelsbezetting, maar mag niet vragen dat er een klein beetje rekening met hem wordt gehouden. Tevens zal Jan Minister van Financiën, Didier Reynders, aan de tand voelen over de aanwervingen bij de FOD Financiën. Deze zouden niet conform de taalwet zijn. Op 24 oktober verscheen in de Gazet van Antwerpen een artikel, waarin werd geconcludeerd dat tijdens Paars I 55 procent van de aanwervingen bij Financiën zijn toegekend aan Franstaligen. Tijdens Paars II werd dit aandeel nog opgedreven: in september 2007 was 59 procent van de aangeworvenen Franstalig. Nochtans zijn de Gecoördineerde Wetten op het Gebruik van de Talen in Bestuurszaken van 18 juli 1966 duidelijk: Artikel 43 paragraaf 3 stelt dat ‘voor iedere centrale dienst, het percentage betrekkingen dat aan het Nederlands en aan het Frans kader dient toegewezen rekening moet houden met het wezenlijk belang dat de Nederlandse en Franse taalgebieden respectievelijk voor iedere dienst vertegenwoordigingen.’ Op basis van deze wet werd bij Koninklijk Besluit van 19 december 2005 tot Vaststelling van de Taalkaders van de FOD Financiën voor de Nederlandstalige en Franstalige taalkaders een verdeling van elk 50% voor trap 1 en 2 ingesteld. Maar klaarblijkelijk geeft Reynders bij de aanwervingen toch de voorkeur aan Franstaligen.Joachim Pohlmann, wetenschappelijk medewerker Kamer |